Een nagenoeg uitzichtloze situatie in Al-Bass
In Libanon wonen meer dan 400.000 Palestijnse vluchtelingen. Rond de stad Tyrus treffen we drie kampen aan: Burj Al-Shemali, Al-Bass en Rashidive. Deze drie kampen vormen de woonplaats van bijna 42.000 Palestijnse vluchtelingen. De leiding van het de kampen komt voor uit Fatah leiders, volgelingen van de Palestijnse vrijheidsstrijder Yasser Arafat.

Buiten het kamp Al-Bass worden we opgewacht door onze gids. Hij brengt ons via een korte tocht van de rand van het kamp naar het kantoor van de kampleider, Abu. Geen groot kantoor vol computers en telefoons, maar een zeer eenvoudig optrekje aan de rand van het kamp.
Het kamp is direct na het uitroepen van de staat Israël opgericht en veel bewoners wonen er sinds die tijd. UNWRA (United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East) heeft de terreinen in Libanon in 1948 voor een periode van 99 jaar gehuurd. In de ogen van de bewoners een tijdelijk verblijf, wachtend op een definitieve oplossing.

Ook vanuit Libanon is er weinig behoefte om de 400.000 vluchtelingen op te nemen. In het land is er een fragiel politiek systeem waarbij de macht verdeeld is tussen etnische groeperingen (islamieten, christenen en druzen). Het opnemen van 400.000 Islamitische Palestijnen zou dit fragiele evenwicht aan het wankelen kunnen brengen.
Maar het wachten duurt lang. Sommige bewoners hebben zelfs nog de sleutel van hun huis in Haifa in bezit, een pijnlijke herinnering aan de onteigening in 1948. Voor de bewoners is het leven in het kamp hard. Ze wonen dicht op elkaar, geïsoleerd van de Libanese bevolking, en ze ontberen veel primaire (mensen)rechten. De Libanese bevolking mag de kampen niet betreden, het is een gesloten gebied, een getto zogezegd.

De vluchtelingen klampen zich vast aan het Palestijnse staatsburgerschap en zijn te gast in Libanon. Dit heeft grote gevolgen. Internationaal hebben ze geen status, ze kunnen niet vrij reizen, ze kunnen amper werken en mogen niet integreren in de gemeenschap. Palestijnse jongeren zullen we ook niet aantreffen op grote sportevenementen, ze zijn van alle sociale communicatie uitgesloten. In het Libanon geldt voor Palestijnen een beroepsverbod waardoor ze veel jobs niet kunnen vervullen. Al snel vervalt men dan in zelfstandige beroepen als automonteur, taxichauffeur of schoonmaker.
Zo staan Palestijnse artsen die in het Hiram hospitaal werken op de loonlijst als schoonmaker of een ander geaccepteerd beroep. Het is behelpen en vernederend.

Als we met Abu praten zien we toch wel hoop in de ogen van de leider. Hij is nu al vele jaren de voorman van het kamp en afkomstig uit de Al Fatah groepering. Inmiddels opgegaan in de Abu Nidal groep (die zich in 1974 afsplitste van de PLO), een onderdeel van Fatah. Voor zijn achterban is er maar een uitweg uit deze situatie, een terugkeer naar Palestina. Want hoe moeilijk alles tegenwoordig ook gaat, hij blijft hopen op een twee staten oplossing. De grenzen van voor de oorlog van 1967, de grenzen die werden aangebouwde bij de stichting van de staat Israël in 1948, zijn voor hem het uitgangspunt. Als beide partijen die zouden respecteren dan kan er weer samengewoond worden op dat kleine stukje Palestina. Dat een oplossing in deze richting ver weg is, is voor iedereen meer dan duidelijk.
Abu ontdekt inmiddels wel een kentering in de Palestijnse situatie. Sinds er steeds meer aandacht is voor de hopeloze situatie van de vluchtelingen en de manier waarop de huidige bewoners van Palestina met de Palestijnen omgaan, wordt het verhaal van de Palestijnse vluchtelingen beter gehoord en treedt er erkenning op. Ze worden niet langer als de criminele organisatie gezien die ze in de jaren zestig wel waren. Deze kentering moet uiteindelijk de basis zijn voor een verdere ontwikkeling en uiteindelijk voor een internationale erkenning van de Palestijnse staat.

“If the Nakba never happened, it is impossible that millions of Palestinians today are refugees who demand restitution of their rights. “
Dat het er bij de Camp David akkoorden en de Oslo akkoorden niet gelukt is, is pijnlijk. Toch toont het aan dat de situatie niet onoplosbaar is. Voorlopig richt men zich dan ook op een politieke oplossing waarbij het op de juiste manier vertellen van het verhaal achter de vlucht uit Palestina de rode draad is.
Medische zorg in het kamp is een probleem. Door de gebrekkige financiële situatie is het niet mogelijk aan te kloppen bij de bestaande medische infrastructuur van Libanon. Hier in Tyrus is men dan ook blij met het Hiram hospitaal dat gezondheidszorg wel toegankelijk maakt voor de arme Palestijnse bevolking. Het ziekenhuis ligt pal tegenover het kamp, de bereikbaarheid is dus geen enkel probleem.
Binnenkort gaat Abu Abed weer naar een bijeenkomst van Palestijnse leiders. Jaarlijks ontmoeten ze elkaar ergen op de wereld voor een grote vergadering. Zo’n reis is een complex geheel. Tal van instanties moeten toestemming geven voordat alle reisdocumenten bij elkaar gesprokkeld zijn. Alleen al die beperking van de vrijheid van reizen maakt het probleem van de Palestijnse vluchtelingen eenvoudig zichtbaar. Wie van ons zou kunnen leven zonder vrijheid van reizen en verblijf. In onze vrije westerse wereld een basis voorwaarde, hier in Libanon een onmogelijkheid voor sommige mensen.
Aan het einde van ons gesprek toont Abu Abed dankbaarheid voor het feit dat we de moeite genomen hebben om bij hem langs te komen. Hij zegt oprecht dat elke vorm van publiciteit rond de Palestijnse zaak hem en zijn lotgenoten helpt.
Hans Steeman




